Op een doordeweekse avond in een café in het centrum van Amsterdam, zag ik mijn toekomst. Mijn treurige toekomst, mijn voorland. Nu ik het idee heb dat ik mijn voorland heb mogen aanschouwen, kan ik er iets aan doen. Ik kan de toekomst naar mijn hand zetten, ik ben de alleen rechter over mijn geschiedenis en toekomst. Dat wil zeggen, vanaf nu.
Het is altijd een treurig gezicht om wanhopige vrouwen van midden dertig op een date te zien. Het is nog treuriger wanneer zo een vrouw zoenend aan de bar hangt, en de man waar zij mee is naar mij en mijn twintiger vriendinnen kijkt, terwijl zij iets vunsigs in zijn oor fluistert.
Dit alles vind ik in de regel erg sneu, arme vrouw. Ik heb medelijden met de vrouw, omdat je kunt zien dat ze graag kinderen wilt. Voortplantingsdrang. Ze neemt met minder genoegen dan dat ze tien jaar geleden zou doen, en overtuigd zichzelf van de aantrekkingskracht van de man.
Ik ben 26 jaar oud, en wil denk ik geen kinderen. Het is mede dankzij dit soort vrouwen, dat ik een vies gezicht trek bij de gedachte aan een zwangerschap. Blegh. Daarnaast vind ik baby’s en kleine kinderen gewoon niet zo leuk. Ik vind ze vies en vervelend. Alles gaat moeizaam als je kleine kinderen om je heen hebt. Even boodschappen doen met een peuter en een dreumes, is een crime. Eerst schoenen aantrekken, dat gaat natuurlijk niet vanzelf, jas aan, ook dat gaat niet vanzelf. Waarschijnlijk als de peuter is aangekleed, en klaar is om naar buiten te gaan, heeft de dreumes net zijn schoentjes weer uitgetrokken, en begint te janken. Wat zou ik dat slecht trekken. Dan zijn er ook nog de snottebellen, poepluiers, uitslag en ziekte. Denk je dat je eindelijk verlost bent, en naar je werk kan gaan, belt het kinderdagverblijf dat Bertje koorts heeft, of je hem op kan komen halen. Ze brengen het natuurlijk als een keuze, maar je weet dat je moet. Kleine kinderen zijn niet mijn kopje thee.
Ik dwaal af, mijn voorland. Waarom ik mijzelf herkende in de treurige vrouw. Op de middelbare school gaf zij mij les. Godsdienst. Ze was destijds een jonge, hippe en leuke juf. De jongens waren een beetje verliefd op haar, en ze kon redelijk goed orde houden. De lessen die ze gaf waren interessant, en zette mij aan het denken. Ik was zonder geloof opgegroeid, en vond het interessant om meer te leren van iemand die haar best deed om het leuk te brengen. Zo gingen we ooit mediteren tijdens de godsdienstles. Tegenwoordig ben ik zelf die jonge, hippe, en leuke juf op een middelbare school. Op het moment dat ik haar zag in de kroeg, wilde ik haar geen gedag zeggen, wat vreemd was, ik vond haar altijd leuk. Ik zag haar zitten, op een barkruk om haar vriendje heen hangend, zoenend, fluisterend. Ik kreeg een gevoel van walging.
Het hele tafereel zag er alles behalve prettig uit. Een zweem van wanhoop straalde van haar af. Ik kon maar een ding denken “rammelende eierstokken”. Ik begrijp het niet, misschien omdat ik zelf totaal geen voortplantingsdrang heb. Ik bedoel, ik hou van seks, maar vind een zwangerschap nog altijd de ergste soa (d.w.z. in mijn geval, natuurlijk prachtig als je er bewust voor kiest).
Het was op die doordeweekse avond, in de kroeg, dat ik een besluit nam. Ik wil nooit zo wanhopig op zoek gaan naar een significant other, naar een zaaddonor. Of ik kinderen wil of niet, ik denk het niet, laat ik van de toekomst afhangen. Ik ben geen fan van kleine kinderen, en zal dat ook niet snel worden. Liever geen kinderen dan die wanhopige vrouw worden.