Ik heb mij vaak afgevraagd waarom ik ben wie ik ben. Waarom ik doe wat ik doe. Ik kom uit een normaal gezin. We hebben nooit veel geld gehad, maar gingen elk jaar twee weken op vakantie. Ik had huisdieren, een zus en een eigen kamer met paardenbehang. Mijn vader werkte fulltime, mijn moeder was thuis. Ik groeide op in een dorp, niet ver van Amsterdam. Ik ging naar een kleine openbare basisschool waar mijn zus op zat en ik was alles behalve populair.
Ik herinner mij dat ik altijd wel verliefd was. Ik had soms een paar vriendjes tegelijk, heel typisch, en een daarvan heeft ooit mijn leven gered. Het gebeurde op een zonnige middag in de zomer. Wij woonden in een rijtjeshuis, en in hetzelfde blok woonde mijn vriendje. Mijn vriendje en ik waren onafscheidelijk. De hele zomer speelden we samen buiten bij elkaar in de tuin. Mijn vriendje had een vijver met grote goudvissen in de tuin. Ik vond het prachtig. Ik keek graag naar de goudvissen en wilde met mijn kleine worstenvingertjes de vissen aaien. Dat was verboden. Op een onbewaakt ogenblik, zijn moeder was even boven met de was bezig, stak ik mijn worstige vingertjes uit naar de goudvissen. Het hekje van gaas, dat voor de vijver was gezet om ongelukken te voorkomen, boog mee met het gewicht van mijn dikke kinderlijfje. Het volgende moment lag ik in de vijver. Ik kwam er niet uit en was met mijn hoofd onder water. Terwijl de moeder van mijn vriendje mij vanuit het raam op de eerste verdieping zag vallen, en zich naar beneden haastte, viel zij van de trap. Mijn vriendje trok mij ondertussen aan mijn lange blonde haren uit de vijver. Gered.
Eenmaal een jaar of drie op de basisschool, was het over met het succes in de liefde. Ik had geen vriendjes meer en viel kennelijk op onbereikbare stoute jongetjes. De jongetjes waar ik verliefd op werd, waren altijd de jongetjes die stoer en populair waren. Geen reddingsacties meer. Ooit heb ik eens een Valentijnskaart in iemands laatje gestopt. Ik had de kaart van mijn zakgeld gekocht, het was een dure kaart, met knuffelende beertjes. Met grote zorg schreef ik de volgende tekst in de kaart: “Lieve ******, Wil je verkering met mij? Ik ben al heel lang verliefd op je…” Kort, maar duidelijk, dacht ik. Ik was niet zo een heel slim kind, en bedacht niet dat mijn naam er niet onder stond. Ik dacht dat je Valentijnskaarten anoniem moest versturen. Ik weet nog goed dat ik aan mijn zus vertelde dat ik de kaart in ****** zijn laatje had gestopt. Mijn zus vertelde mij spottend dat hij niet zou weten van wie het kaartje was, en dus nooit verkering met mij zou nemen. Daar kwam ****** heel snel achter en vertelde aan iedereen dat hij de betreffende Valentijnskaart van mij had gekregen, en dat hij mij stom vond. Gelukkig ging ik een jaar later naar de mavo, en ****** en ik kwamen elkaar niet meer tegen.
Op de mavo had ik een fan. De grootste nerd van de school was hopeloos verliefd op mij. Dat stoorde mij mateloos. Ik pestte hem zodat hij mij niet meer leuk zou vinden. Heel gemeen. Vier jaar lang, was hij verliefd op mij, zelfs na die vier jaar kwam ik hem nog wel eens tegen, hij had altijd weer die verliefde en gekwetste blik in zijn ogen. Op de mavo werd nooit iemand, behalve hij dan, verliefd op mij. Ik zou hem best nog eens tegen willen komen om mijn excuses aan te bieden.
Ik kan het niet helpen om een onzinnige vergelijking te maken. Tegenwoordig wordt ook niemand verliefd op mij. Ik ben natuurlijk zo op het eerste gezicht een vreselijk makkelijk meisje. Ik doe niet moeilijk over seks, zie het als een vanzelfsprekende afsluiting van een leuke date. Daarnaast ben ik grappig en best een aardige gesprekspartner. Ik denk dat ik wel een leuk iemand ben om mee om te gaan. Daarnaast claim ik niet en wil ik veroverd worden.
Dat veroverd willen worden is een zwak punt. Ik ben niet duidelijk over mijn gevoelens. Ik denk dat mannen snel denken dat ik gewoon op zoek ben naar een vriendschap. Hier gaat het mis. Ik heb vrienden en ben echt niet op zoek naar nieuwe vrienden. Nieuwe mensen ontmoeten vind ik prima, maar “Friends with benefits” , daar zit ik echt niet op te wachten. Ik word namelijk verliefd. Snel en ongecontroleerd. Mijn gevoel slaat op hol. Gelukkig is dit zo vaak gebeurd, dat de verliefdheid ook net zo snel weer over gaat, als dat hij komt.
Mijn zus had altijd wat meer succes met jongens. Meestal werden ze eerst verliefd op mijn zus, en wanneer zij ze afwees, probeerden ze het bij mij. Heel stom vond ik dat. Ik wees ze natuurlijk als vanzelfsprekend ook af. Misschien dat mijn zus meer succes had, omdat ze wat neutraler was. Ze zag er best goed uit voor een puber, en droeg hele normale kleding. Heel casual. Ze kon ook prachtig zingen, dat vonden jongens natuurlijk wel interessant. Ik kon niet zingen en had veel pukkels. Daarnaast droeg ik rare kleding, de afdankertjes van mijn zus gecombineerd met mijn eigen vreemde smaak.
Mijn zus is het tegenovergestelde van mij. Zij is getrouwd, heeft een koopwoning in een nieuwbouwwijk en twee kinderen. Mijn zus heeft nog nooit een sigaret, dan wel iets anders gerookt. Mijn zus gaat bijna nooit uit. Ik vraag mij af waarom wij zo verschillend zijn. Tot mijn vijftiende hebben we een zo goed als gelijk leven gehad. Op mijn vijftiende leerde ik andere mensen kennen en werd mijn wereldje heel anders.
Vanaf dat moment ben ik drastisch veranderd, van een redelijk lief meisje in een blowende, boze puber. Het voelde alsof ik eindelijk ging leven. Ik had jarenlang geen vriendjes en was daar ook niet erg mee bezig. Ik ontwikkelde mezelf tot wie ik nu ben. Waarom ik ben wie ik ben? Waarom ik doe wat ik doe? Ik heb een vaag idee. Wat ik in ieder geval zeker weet is dat ik best tevreden ben. Ik zou niet getrouwd willen zijn, twee kinderen willen hebben en in een koopwoning wonen. Ik wil vrij zijn. Ik wil leven. En dat doe ik.
JE BENT EEN BAAS!
BeantwoordenVerwijderen